Favoriete boeken


Favoriete gedichten
Favorite poem

De Waterlelie

van Frederik van Eeden

Ik heb de witte waterlelie lief,
daar die zoo blank is en zoo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niets meer...

Mij spreekt de blomme...

van Guido Gezelle

Mij spreekt de blomme een tale,
mij is het kruid beleefd,
mij groet het altemale
wat God geschapen heeft!

'k En hoore u nog niet...

van Guido Gezelle

'k En hoore u nog niet...
o nachtegale, en
de paaschzunne zit
in 't oosten;
waar blijft gij zoo lange,
of hebt ge misschien
vergeten van ons
te troosten?

't En zomert, 't is waar,
't en loovert, 't en lijdt,
geen bladtje nog uit
de hagen:
't zit ijs in den wind
't zit sneeuw in de lucht
't is stormen, dat 't doet,
en vlagen.

Toch spreeuwt het en vinkt
het luide, overal;
de merelaan lacht
en tatelt;
het muscht en het meest,
het koekoet, in 't hout;
het zwaluwt en 't zwiert
en 't swatelt.

Waar blijft hij zoo lang,
de nachtegale; en
vergeet hij van ons
te troosten?
't En zomert nog niet,
maar zomeren zal 't:
de Paaschzunne zit
in 't oosten.

De Moeder

van Geerten Gossaert

Hij sprak en zeide
In 't zaal zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weer...
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking
Doch, bijna blijde,
Beval den maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,
Melaatsch een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zoon keert weer...
Zag zij hem aan en
Vond geen tranen
Voor zoveel vreugde geen tranen meer.

Erlkoenig

ballade van J.W. Goethe

Wer reitet so spaet durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind;
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faszt ihn sicher, er haelt ihn warm.

Mein Sohn, was bircht du so bang dein Gesicht?-
Siehst, Vater, du den Erlkoenig nicht?
Den Erlkoenig mit Kron und Schweif?-
Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif.-

"Du liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schoene Spiele spiel ich mit dir;
Manch bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch guelden gewand."

Mein Vater, mein Vater, und hoerest du nicht,
Was Erlenkoenig mir leise verspricht?-
Seih ruhig, bleibe ruhig mein Kind;
In duerren Blaettern saueselt der Wind.

"Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Toechter sollen dich warten schoen;
Meine Toechter fuehren den naechtlichen Rhein,
Und wiegen und tanzen und singen dich ein."

Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort
Erlkoenigs Toechter am duestern Ort?-
Mein Sohn, mein Sohn, ich seh es genau:
Es scheinen die alte Weiden so grau.-

"Ich liebe dich, mich reizt deine schoene Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt."
Mein Vater, mein Vater, jetzt faszt er mich an!
Erlkoenig hat mir ein Leids getan!-

Dem Vater grausets, er reitet geschwind,
Er haelt in Armen das aechzende Kind,
Erreicht den Hof mit Muehe und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.

The Bridge Builder

by Will Allen Dromgoole

An old man, going a lone highway,
Came, at the evening, cold and gray,
To a chasm, vast, and deep, and wide,
Through which was flowing a sullen tide.
The old man crossed in the twilight dim;
The sullen stream had no fears for him;
But he turned, when safe on the other side,
And built a bridge to span the tide.
"Old man," said a fellow pilgrim, near,
"You are wasting strength with building here;
Your journey will end with the ending day;
You never again must pass this way;
You have crossed the chasm, deep and wide-
Why build you the bridge at the eventide?"

The builder lifted his old gray head;
"Good friend, in the path I have come," he said,
"There followeth after me today
A youth, whose feet must pass this way.
This chasm, that has been naught to me,
To that fair-haired youth may a pitfall be.
He, too, must cross in the twilight dim;
Good friend, I am building the bridge for him.

De tuinman en de Dood

van P.N. van Eyck

Een Perzisch edelman spreekt:

Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: "Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds in de rooshof snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood,

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, Uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahân!"

Vanmiddag - lang reeds was hij heengespoed -
Heb ik in het cederpark de Dood ontmoet.

"Waarom", zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
"Hebt gij vanmorgen vroeg mijn knecht bedreigd?"

Glimlachend antwoordt hij: "Geen dreiging was 't,
Waarvoor Uw tuinman vlood. Ik was verrast.

Toen ik 's morgens hier nog stil aan 't werk zag staan,
Die ik 's avonds halen moest in Ispahân."

Ballade van den katholiek

van Anton van Duinkerken

Aan Ir. A.A. Mussert,
die zich in 'Volk en Vaderland'
van vrijdag 6 december 1935
veroorloofde te schrijven over 'den zich katholiek noemenden Van Duinkerken'

Jawel, mijnheer ik noem mij Katholiek.
En twintig eeuwen kunnen 't woord verklaren
Aan u en aan uw opgewonden kliek,
Die blij mag zijn met twintig volle jaren,
Als onze God u toestaat te bedaren
Van 't heilgeschreeuw, geleerd bij de barbaren,
En als uw volksbeweging haar muziek
Toonzetten leert op ònze maat der eeuwen.
De roomsen hebben in de politiek
Iets meer gedaan dan onwelluidend schreeuwen.
Daarom, mijnheer, noem ik mij Katholiek!

Gij weet het slecht, maar in een zieke tijd,
Toen Rome rot was van de dictatoren,
Elkaar verdringend met de grage nijd
Van wie elkanders roem niet kunnen horen,
Werd God de Zoon te Bethlehem geboren
Uit ene Maagd wier naam in uw oren
Klank voert van ketterij en godsdienststrijd:
Een Joodse vrouw, die gij diep zoudt verachten
- Joden zijn aan uw soort niet sympathiek -
Maar die het licht is van mijn zwartste nachten,
Daarom, mijnheer, noem ik mij Katholiek!

Prince Heer Jezus zoet, Prins van de ware Kerk,
Die één is, heilig en apostoliek,
Maakt ons in dienst van zijnen vrede sterk,
Daarom, mijnheer, noem ik mij Katholiek!

Het lied der achttien dooden

van Jan Campert
1941

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland's vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind,
hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geeerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss'lijk stuk bestond
en Holland's landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie,
- zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt
of bood die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk
- er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht
- en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de loopen sta.